✏️De buitenste reeks is C, G, D, A, E, B, F♯ of G♭, D♭, A♭, E♭, B♭ en F. Op de gedeelde plaats worden twee enharmonische namen getoond. Ze kunnen in gelijkzwevende stemming dezelfde toonhoogte vertegenwoordigen, maar hun spelling en voortekens verschillen. De cirkel kiest niet automatisch welke schrijfwijze in een concrete compositie het beste past. Dat hangt van de muzikale context af.
De relatieve mineurtoonsoorten zijn a, e, b, f♯, c♯, g♯, d♯ of e♭, b♭, f, c, g en d. Iedere combinatie deelt de voortekens van majeur en natuurlijk mineur, niet de grondtoon. Je kunt op notenschriftpapier beide toonladders naast elkaar uitschrijven. Zo wordt duidelijk dat dezelfde verzameling voortekens toch tot een andere uitgangstoon en muzikale oriëntatie kan leiden.